We zien elkaar zelden meer. Want René was lid van een van de vorige gemeenten waar ik gewerkt heb. Voor hem geen punt, want we hielden contact. lk half jaar krijg ik een mailtje van hem met een serie data waarop hij graag even wil bijkletsen. Klokslag het afgesproken tijdstip gaat dan mijn telefoon. René heeft autisme. Nauwkeurig vertelt hij over zijn werk, het welzijn van ouders, bezoeken aan vrienden en vakanties waarin hij exact kan vertellen welke bus hij neemt (en wat de vertrektijden zijn). Netjes vraagt hij ook hoe het met mij is, met Els, onze kinderen.

 

Als hij aanvoelt dat we door de onderwerpen heen zijn, komt hij altijd met het voorstel: “Zullen we bidden? Ik begin!”. Eerst moet ik noemen waarvoor ik allemaal gebeden wil hebben. Daarna somt hij zijn gebedspunten op. Na jaren ervaring van telefonisch gebed met René weet ik inmiddels dat ik zijn gebedspunten meeschrijf op een briefje. Want als hij er 10 heeft onthoud ik dat niet. Ontroerend vind ik als hij, bijna aan het eind van zijn gebed, vraagt: “En Jan-Martin, heb ik nu alle punten gehad? Ja? Dan ga ik je zegenen!”. En andersom doe ik hetzelfde.

Na ongeveer 1 uur hangen we op. Over een half jaar spreken we elkaar weer. Bidden we voor elkaar, zegenen we elkaar. Een maatje is een zegen, hij of zij houdt je vast. “Ik bid elke dag voor jou”, zegt hij aan het eind van het gesprek. En ik weet dat hij het ook echt doet. Ik kan niet zonder mensen die voor mij bidden.
Gebedsmaatjes zijn een zegen!

Jan-Martin Berghuis, voorganger.